Verschijnselen van nierfalen bij een kat
De eerste symptomen van chronisch nierfalen zijn vaak meer drinken en plassen, een doffe vacht, verminderde eetlust en gewichtsverlies. Ook kan een kat minder actief worden.
Wanneer de nieren minder goed werken, verliezen ze meer water via de urine. De kat gaat daardoor meer drinken om het vochtverlies te compenseren. Lukt dat onvoldoende, dan kan uitdroging ontstaan.
Daarnaast kunnen afvalstoffen, zoals ureum, zich ophopen in het bloed. Dit kan misselijkheid, braken en een verminderde eetlust veroorzaken.
In een verder gevorderd stadium kunnen ook spierverlies, bloedarmoede en een hoge bloeddruk ontstaan. Een hoge bloeddruk kan op zijn beurt weer extra schade veroorzaken aan de nieren en andere organen, zoals de ogen.
Het stellen van de diagnose van nierfalen
De dierenarts stelt chronisch nierfalen vast met lichamelijk onderzoek, bloedonderzoek en urineonderzoek. Ook wordt de bloeddruk gemeten. Soms is aanvullend onderzoek, zoals een echo van de nieren, nodig.
Urineonderzoek
Bij urineonderzoek wordt gekeken hoe goed de nieren de urine kunnen concentreren. Ook controleert de dierenarts op eiwitten en aanwijzingen voor een ontsteking.
Als er eiwitverlies via de urine wordt vermoed, kan de UPC-ratio worden bepaald. Deze waarde helpt om de ernst van het eiwitverlies te beoordelen.
Je kunt thuis urine opvangen met speciale Katkor-korrels.
Bloedonderzoek
In het bloed worden onder andere creatinine, ureum en SDMA gemeten. Deze waarden geven informatie over de nierfunctie.
Creatinine is afhankelijk van de spiermassa. Bij een oudere kat die veel spieren heeft verloren, kan de creatininewaarde daardoor lager uitvallen dan je op basis van de nierfunctie zou verwachten. SDMA is minder afhankelijk van de spiermassa en vormt daarom een nuttige aanvulling.
Ook worden mineralen zoals fosfaat, calcium en kalium gecontroleerd. Vooral fosfaat en calcium zijn belangrijk bij het bepalen en volgen van de behandeling.
Daarnaast wordt een bloedbeeld bepaald om onder andere te controleren op bloedarmoede (anemie). De nieren maken het hormoon erytropoëtine (EPO) aan, dat de aanmaak van rode bloedcellen stimuleert. Bij chronisch nierfalen kan de productie van dit hormoon afnemen, waardoor bloedarmoede ontstaat. Dit kan klachten veroorzaken zoals vermoeidheid, zwakte en bleke slijmvliezen.
Een enkele verhoogde nierwaarde betekent niet automatisch dat een kat chronisch nierfalen heeft. De dierenarts beoordeelt de uitslagen in samenhang en herhaalt het onderzoek zo nodig.
Bloeddruk
Katten met chronisch nierfalen hebben een verhoogde kans op een hoge bloeddruk. Dit kan verdere nierschade veroorzaken. Daarom is een bloeddrukmeting een belangrijk onderdeel van de diagnose en de controles.
De vier stadia van chronisch nierfalen bij katten
Dierenartsen gebruiken de indeling van de International Renal Interest Society (IRIS) om de ernst van chronische nierziekte te bepalen. Hierbij worden de creatinine- en SDMA-waarden beoordeeld wanneer de kat stabiel en voldoende gehydrateerd is. Ook de bloeddruk en het eiwitverlies via de urine spelen een rol.
Stadium 1: beginnende nierschade
In stadium 1 zijn er aanwijzingen voor nierschade, maar zijn de creatininewaarden meestal nog normaal. De kat heeft vaak geen duidelijke klachten.
De behandeling richt zich op het opsporen van mogelijke oorzaken, het controleren van de bloeddruk en het voorkomen van verdere nierschade. Een streng eiwitbeperkt nierdieet is in dit stadium meestal niet nodig. Of fosfaatbeperking zinvol is, hangt af van de onderzoeksresultaten.
Stadium 2: milde nierproblemen
In stadium 2 is de nierfunctie verminderd, maar veel katten voelen zich nog goed. Soms drinken en plassen ze meer dan normaal.
De dierenarts controleert regelmatig de nierwaarden, bloeddruk en urine. Een aangepaste voeding, vooral met minder fosfaat, kan helpen om de achteruitgang van de nierfunctie te vertragen. Een veterinair nierdieet wordt in dit stadium vaak overwogen, maar de keuze hangt ook af van de spiermassa en conditie van de kat.
Stadium 3: matig tot ernstig nierfalen
In stadium 3 kunnen klachten zoals misselijkheid, braken, gewichtsverlies en uitdroging ontstaan.
Een veterinair nierdieet wordt doorgaans aanbevolen. Daarnaast kan de dierenarts medicijnen voorschrijven tegen misselijkheid, een hoge bloeddruk of eiwitverlies via de urine. Als het fosfaatgehalte ondanks de aangepaste voeding te hoog blijft, kan een fosfaatbinder nodig zijn.
Stadium 4: ernstig nierfalen
In stadium 4 is de nierfunctie sterk verminderd. Katten hebben vaak een slechte eetlust, zijn misselijk of verliezen veel gewicht.
De behandeling richt zich vooral op het verminderen van klachten en het behouden van een goede kwaliteit van leven. Naast aangepaste voeding en medicijnen kan aanvullende vochttoediening nodig zijn. Het is belangrijk dat de kat voldoende blijft eten en niet verder vermagert.
Behandeling van nierfalen bij de kat
Chronische nierschade is meestal niet te genezen. Met de juiste behandeling kan de achteruitgang van de nierfunctie echter vaak worden afgeremd.
De behandeling hangt af van het stadium en de klachten van de kat. Bij eiwitverlies via de urine (proteïnurie) kan de dierenarts bijvoorbeeld Semintra (telmisartan) of een ACE-remmer, zoals benazepril, voorschrijven. Deze medicijnen verminderen het eiwitverlies via de nieren en kunnen zo helpen verdere nierschade te beperken. Ook een hoge bloeddruk wordt zo nodig behandeld.
Daarnaast kunnen medicijnen tegen misselijkheid of ter ondersteuning van de eetlust worden voorgeschreven.
Bij ernstige klachten, zoals aanhoudend braken, niet eten of uitdroging, kan opname in een dierenkliniek nodig zijn. Daar kan de kat vocht en medicijnen via een infuus krijgen.
Voldoende vocht opnemen door de kat
Katten met nierproblemen verliezen vaak meer vocht via de urine. Daarom is het belangrijk dat ze voldoende drinken.
Een drinkfontein kan helpen om drinken aantrekkelijker te maken. Ook natvoer of brokjes waaraan water is toegevoegd, kunnen de vochtopname verhogen.
Daarnaast kan Purina Pro Plan Hydra Care worden gebruikt om de vochtopname te ondersteunen.
Nierdieet kat: is eiwitbeperking altijd nodig?
Voeding speelt een belangrijke rol bij chronisch nierfalen. Een veterinair nierdieet bevat onder andere minder fosfaat en een aangepaste hoeveelheid eiwit.
Toch heeft niet iedere kat met nierproblemen direct een eiwitarm dieet nodig. Vooral in een vroeg stadium kan een sterke eiwitbeperking ongewenst zijn. Katten hebben namelijk veel hoogwaardige eiwitten nodig om hun spiermassa te behouden. Dat is extra belangrijk bij oudere katten, die sneller spieren verliezen.
In een verder gevorderd stadium kan een aangepaste eiwitinname helpen om de ophoping van afvalstoffen, zoals ureum, te beperken. Veterinaire nierdiëten hebben dan vaak duidelijke voordelen.
Het doel is daarom niet om zo weinig mogelijk eiwit te geven, maar om de juiste balans te vinden tussen nierondersteuning en het behoud van een goede conditie.
Voorbeelden van veterinaire nierdiëten zijn Royal Canin Renal Kat, Vetality Renal Kat en Hill’s k/d Kidney Care. Van veel nierdiëten is zowel droogvoer als natvoer verkrijgbaar.
Waarom is fosfaatbeperking belangrijk bij nierfalen?
Fosfaat is een mineraal dat belangrijk is voor onder andere de botten en spieren. Normaal gesproken scheiden de nieren overtollig fosfaat uit via de urine.
Bij chronisch nierfalen lukt dit steeds minder goed. Een te hoog fosfaatgehalte kan bijdragen aan verdere nierschade.
Fosfaatbeperking is daarom een belangrijk onderdeel van de behandeling, vooral vanaf IRIS-stadium 2. De dierenarts beoordeelt aan de hand van de bloedwaarden hoeveel beperking nodig is.
Volgens de IRIS-richtlijnen wordt gestreefd naar een fosfaatwaarde lager dan 1,45 mmol/l in stadium 2, lager dan 1,6 mmol/l in stadium 3 en lager dan 1,9 mmol/l in stadium 4.
Waarom moet ook calcium worden gecontroleerd?
Fosfaat en calcium zijn nauw met elkaar verbonden. Wanneer de fosfaatopname via de voeding wordt beperkt, kan bij sommige katten het calciumgehalte in het bloed stijgen.
Daarom is het belangrijk om beide mineralen te controleren, vooral bij het starten van een nierdieet of fosfaatbinder.
Naast het totale calcium kan de dierenarts ook geïoniseerd calcium meten. Dit is de actieve vorm van calcium in het bloed en geeft een nauwkeuriger beeld van de calciumhuishouding. Een kat kan namelijk een normale totale calciumwaarde hebben, terwijl het geïoniseerde calcium toch verhoogd is.
Bij een verhoogd calciumgehalte kan een minder sterk fosfaatbeperkte voeding of een andere fosfaatbinder nodig zijn.
Wat is FGF-23?
FGF-23 is een hormoon dat helpt om de hoeveelheid fosfaat in het lichaam te regelen. Bij katten met chronisch nierfalen kan FGF-23 al verhoogd zijn terwijl het fosfaatgehalte in het bloed nog normaal is.
De FGF-23-test kan aanvullende informatie geven over de fosfaatbelasting en helpen bepalen of fosfaatbeperking via de voeding nodig is. De test is bedoeld voor katten met vastgestelde chronische nierziekte, of een sterk vermoeden daarvan, in IRIS-stadium 1 of 2.
De test wordt niet aanbevolen bij katten met ongecontroleerde hyperthyreoïdie (een te snel werkende schildklier), ernstige bloedarmoede of een ontsteking die het hele lichaam beïnvloedt. Deze aandoeningen kunnen de interpretatie van de uitslag bemoeilijken.
De FGF-23-test vervangt de gewone controle van fosfaat en calcium niet, maar kan hierop een waardevolle aanvulling zijn.
Nierondersteunende supplementen
Wanneer het fosfaatgehalte ondanks aangepaste voeding te hoog blijft, kan de dierenarts een fosfaatbinder adviseren. Deze bindt een deel van het fosfaat uit de voeding in de darmen, zodat minder fosfaat wordt opgenomen.
Voorbeelden zijn Ipakitine en Virbac Pronefra. Sommige fosfaatbinders bevatten calcium. Daarom is het belangrijk dat de dierenarts bij de keuze ook naar de calciumwaarde kijkt.
Daarnaast bestaan er andere ondersteunende producten, zoals Porus One, Dr. Ann’s Kidney Support en Puur Kidney. Deze producten hebben verschillende samenstellingen en werkingen en zijn geen vervanging voor een passende behandeling.
Als een kat een te laag kaliumgehalte heeft, kan de dierenarts ook een kaliumsupplement adviseren.
Geef supplementen bij nierproblemen bij voorkeur alleen in overleg met de dierenarts.
Het belang van omega-3-vetzuren bij nierfalen
Omega-3-vetzuren, vooral EPA en DHA uit visolie, kunnen de nieren ondersteunen door ontstekingsprocessen te helpen verminderen. Daarnaast kunnen ze een gunstige invloed hebben op de werking en soepelheid van de bloedvaten. Dit kan indirect bijdragen aan een gezonde bloeddruk, al is een bloeddrukverlagend effect bij katten met nierfalen niet overtuigend aangetoond. Omega-3-vetzuren kunnen mogelijk ook helpen om de achteruitgang van de nierfunctie te vertragen. Daarom bevatten veel veterinaire nierdiëten extra omega-3-vetzuren. Krijgt jouw kat geen nierdieet, dan kan een omega-3-supplement soms een aanvulling zijn. Overleg hierover met de dierenarts voor de juiste dosering.
Prognose
De prognose van chronisch nierfalen verschilt sterk per kat. Sommige katten gaan snel achteruit, terwijl andere nog jarenlang een goede kwaliteit van leven hebben.
Regelmatige controles zijn belangrijk om de behandeling tijdig aan te passen. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar de nierwaarden, maar ook naar de bloeddruk, fosfaat- en calciumwaarden, het lichaamsgewicht en de spiermassa.
Bij oudere katten kan een periodieke seniorencontrole helpen om nierproblemen vroegtijdig op te sporen.
Herken je symptomen van nierfalen bij jouw kat? Laat hem dan onderzoeken door de dierenarts. Hoe eerder eventuele problemen worden ontdekt, hoe beter de behandeling kan worden afgestemd.
Heb je vragen over de voeding of ondersteuning van jouw kat met nierproblemen? Neem dan contact op via dierenarts@medpets.nl.